Reflectie op de uitdagingen van competitie, opvoeding en de noodzaak tot duidelijke kaders
Als trainer werk ik twee keer per jaar mee aan een informatieavond voor ouders rondom wedstrijdsport en topsport. Tijdens deze bijeenkomsten daag ik ouders uit: stel je voor, een vierkant van 7 bij 7 meter waar je niet uit mag stappen, tegenover een judoka die vastberadenheid uitstraalt. Vooral judoka’s uit landen waar de omstandigheden veel minder zijn dan bij ons, tonen een vechtlust die diepgeworteld is in hun cultuur en levenssituatie. Het is een confrontatie die niet alleen fysiek, maar vooral mentaal veel vraagt.
We kijken massaal naar programma’s als Kamp van Koningsbrugge of luisteren aandachtig naar podcasts waarin instructeurs ons meenemen in de wereld van doorzettingsvermogen, kwetsbaarheid en verbinding. We herkennen onszelf in die processen, omdat we allemaal een diep verlangen voelen om grenzen te verleggen en onszelf te ontwikkelen. Toch blijft het onderwerp mij bezighouden, niet alleen vanwege de gesprekken met collega’s zondagavond, maar vooral vanwege de bredere maatschappelijke uitdagingen waar we tegenaan lopen.
Onze samenleving heeft het goed, misschien wel te goed. We leiden onze kinderen vaak veilig door het leven: de schooltas wordt tot in de klas gedragen, het brood gesmeerd tot ze het huis uit gaan. Zodra een opleider grenzen stelt of een onvoldoende uitdeelt, gaan we direct in verweer — alsof het deelnemers zijn van Kamp van Koningsbrugge. ‘Nee’ is ook een antwoord, en ‘niet goed’ biedt juist de mogelijkheid om te groeien. Juist deze momenten zijn essentieel voor de ontwikkeling van jongeren.
Het moderne positief belonen heeft een andere betekenis gekregen. Vaak leggen we het accent op wat goed ging (‘je aanloop was perfect, maar…’), terwijl het juist de bedoeling is om het positieve te versterken en ruimte te bieden voor verbetering. In de context van wedstrijdsport en topsport is het belangrijk dat we eerlijk zijn: soms zijn accenten in leerdoelen niet goed, en dat mag benoemd worden. Dit hoort bij het proces van groeien en grenzen verleggen.
Mijn collega’s en ik zoeken naar manieren om onze cultuur en maatschappij te stimuleren tot meer belastbaarheid en betere motorische ontwikkeling bij jongeren. Judo vraagt om een extreme conditie, stabiliteit en het vermogen om op het hoogste niveau te presteren. Tijdens ons overleg afgelopen zondag kwamen we tot enkele concrete aanbevelingen:
- Kader nog beter en eenduidiger opleiden en bijscholen, niet alleen op het gebied van veiligheid, maar ook technisch, didactisch en organisatorisch.
- Meer jeugd laten deelnemen aan competitie op verschillende niveaus.
- Vanaf 12 jaar veel meer meters maken, intensiever trainen.
- Ouders beter informeren en inzicht geven in het traject.
- Een specifieke gedragscode opstellen voor wedstrijd- en topsporters.
De laatste twee punten wil ik graag toelichten. Wanneer ouders begrijpen welk niveau hun kinderen nastreven en wat daarvoor nodig is, ontstaat er meer begrip. In judo betekent grenzen verleggen dat je soms verder moet gaan dan je dacht te kunnen — tien extra herhalingen terwijl je denkt dat het niet meer lukt. Een gedragscode voor wedstrijd- en topsporters, maar ook voor ouders, helpt om verwachtingen en gedrag helder af te spreken. Op dit vlak zoek ik informatie en zou ik graag ondersteuning krijgen van organisaties die hierin gespecialiseerd zijn.
Heb je ideeën of wil je eens sparren? Spreek me gerust aan. Op de foto sta ik met een leerling: elke week fietst ze 45 minuten naar de ochtendtraining, en daarna nog eens 25 minuten naar school. Vanochtend door de regen, zonder klagen. Zij en haar ouders zijn een lichtend voorbeeld van commitment en doorzettingsvermogen!
Marc Haagsma


