Ik loop inmiddels al geruime tijd mee in de judowereld en werk sinds december 2025 samen met andere trainers binnen de JBN. Die samenwerking ervaar ik als waardevol. Het delen van kennis en het werken vanuit een gezamenlijke leerlijn geven richting en houvast. Tegelijkertijd zie ik een ontwikkeling die mij zorgen baart: de focus ligt steeds vaker op het aantrekken van judoka’s en coaches, in plaats van op het duurzaam ontwikkelen van mensen en structuren.
Die gezamenlijke leerlijn zet mij aan het denken. Niet alleen over wat er landelijk gebeurt, maar vooral over mijn eigen rol en verantwoordelijkheid binnen mijn regio en judoschool. In de praktijk merk ik hoe lastig het soms is om, naast alle dagelijkse werkzaamheden, voldoende tijd te maken om kennis en ervaring structureel over te dragen aan mijn eigen judoleraren.
Toch ben ik ervan overtuigd dat juist die kennisoverdracht essentieel is. Zowel gevestigde als beginnende trainers hebben daar baat bij. Wat mij betreft zou een vorm van jaarlijkse certificering, met meerdere vaste bijscholingsmomenten, een logische stap zijn. Alleen dan krijgt een keurmerk daadwerkelijk betekenis. In landen als België en Duitsland zie ik dat dit al langer serieus wordt aangepakt. Ook uit mijn eigen ervaring met intensieve opleidingsweken in het buitenland weet ik hoeveel impact dit kan hebben op de kwaliteit van trainers op de lange termijn.
Uiteindelijk draait het om wat we doorgeven aan de volgende generatie. Aan collega’s, maar vooral aan de jeugd. Juist in de jongste leeftijdscategorieën wordt de basis gelegd. Daarom vind ik het zorgelijk dat jonge judoka’s en coaches steeds vaker al op zeer jonge leeftijd (–13 en –15 jaar) vrijwel volledig uit hun clubs worden gehaald. Buitenlandse stages en vroege talentbinding kunnen waardevol zijn, maar mogen nooit ten koste gaan van een solide opleiding binnen de fundamentele leerlijnen van 6 tot en met 15 jaar.
Ik begeleid inmiddels ook trainers die ik zelf ooit op de mat heb zien staan, en dat doe ik met plezier. Maar het valt me op dat de aandacht vaak vooral uitgaat naar kansen buiten de club, terwijl de investering in structurele ontwikkeling binnen de vereniging achterblijft. Dat vraagt om meer balans.
Als we echt willen professionaliseren, moeten we ook eerlijk kijken naar hoe we omgaan met beginnende trainers. Begeleiding hoort daarbij, maar ook een passende vergoeding. Het is niet realistisch om contributies te blijven hanteren die nog zijn gebaseerd op de jaren tachtig, terwijl de eisen aan trainers steeds hoger worden. Besturen die vooral blijven hopen op subsidies en vrijwilligers lopen het risico de aansluiting met de realiteit te verliezen.
Een voorbeeld uit mijn eigen omgeving illustreert dat contrast. In dezelfde lokale krant lees ik enerzijds hoe verenigingen de noodklok luiden vanwege stijgende kosten, terwijl anderzijds een sportondernemer vanuit passie is doorgegroeid naar een faciliteit van 1000 m². Dat laat zien dat groei mogelijk is, mits er wordt durven gekozen voor ondernemerschap en ontwikkeling.
Natuurlijk moet sport toegankelijk blijven voor iedereen, ook voor mensen voor wie dat financieel of sociaal niet vanzelfsprekend is. Daar zijn voldoende mogelijkheden voor. Tegelijkertijd moeten jonge trainers die vanuit hun opleiding instromen perspectief krijgen. Zonder dat perspectief kiezen zij begrijpelijkerwijs voor ander werk, en verliezen we mensen die juist hard nodig zijn.
De cijfers laten zien dat er nog veel potentie is. Met 156.000 vechtsporters in Nederland en 21.000 jeugdleden bij de JBN ligt er een duidelijke uitdaging. Willen we groeien, dan vraagt dat om omdenken, lef en vooral om goed opgeleide professionals. Via eenduidige opleidingen en structurele bijscholing kunnen we hen meenemen in een gezamenlijke visie.
Voor mij is één ding duidelijk: duurzame groei begint bij kwaliteit, continuïteit en het serieus nemen van de mensen op de mat. Laten we daar samen verantwoordelijkheid voor nemen.
Marc Haagsma



